Koen Peeters en het meerstemmige jongetje in hem

In het Basisjaar Literair Schrijven krijgen de deelnemers lezingen van bekende auteurs aangeboden. Dit jaar heb ik me voorgenomen om van elke lezing een verslag te maken. Vandaag mijn verslag van de lezing over proza van Koen Peeters op 25 september 2013.

Koen Peeters beloofde voor de lezing dat zijn verhaal wel erg zou verschillen van dat van Marc Reugebrink. Hij doelde daarmee op de eerste plaats op een theoretische bevlogenheid die hij niet had. Zijn verhaal zou concreet blijven en antwoorden bieden op de vraag: hoe ontstonden zijn romans? Niettemin waren er onverwachte gelijkenissen tussen Peeters’ relaas en dat van Reugebrink.

Schrijven als noodzakelijke hobby

Maar eerst de verschillen, want die zijn evident. Het stijlverschil tussen beide auteurs drukte zich ook uit in hun spreekstijl – of is het dat hun spreekstijl overeenkomt met hun schrijfstijl? Peeters hield zich aan zijn belofte om concreter, anekdotischer eigenlijk, dan Reugebrink te zijn. Die laatste is de essayist, de aftaster van antwoorden op een dieperliggende vraag. Peeters vertelde: ‘hoe doe ik het? Hoe schreef ik die en die roman?’ en liet het aan de taal over om hem bij momenten te verleiden tot meer algemene uitspraken.

Daarbij opende Peeters met erop te wijzen dat hij geen beroepsschrijver is. Hij verdient zijn geld elders (bij de bank) en dat geeft hem de mogelijkheid om enkel die boeken te schrijven die hij echt wil schrijven: ‘Ik wil alleen heel urgente boeken schrijven.’ Als opvallende opener rekende hij voor dat hij nu elf boeken publiceerde, dat hij er vijftien wil schrijven en dat hij die laatste vier nog wil schrijven tussen nu en zijn pensioen.

Peeters had ook “bewijsmateriaal” bij: volgeschreven kladschriften, oude boeken van rommelmarkten waar hij als zestienjarige zijn eerste boeken kocht, zelfs een bijzonder boekje dat hij in het tweede deel zou wegschenken aan de persoon met de slimste, uitdagendste vraag.

Schoonheid opgedolven uit archieven

Eerst vertelde Peeters hoe zijn Kempische roman De bloemen ontstond uit memoires van zijn vader, brieven van zijn grootmoeder en processtukken die hij van een oom in handen kreeg. Hij had zich nochtans voorgenomen nooit over de ‘lelijke’ Kempen te schrijven, Walter Van Den Broeck en Leo Pleysier hadden die al mooi geportretteerd. Maar de archiefstukken drongen zich aan hem op, hij zag er een schoonheid in die hem aan het schrijven zette. Het werd een eerbetoon aan zijn overleden vader.

Peeters besteedt veel aandacht aan zijn opzoekingswerk, een aspect dat duidelijk een crucialere plaats inneemt dan bij Reugebrink. Hij doet zelfs aan re-enactment: als hij mag vermoeden dat zijn grootvader in een oude kroeg zijn krentenbollen met kaas zat op te eten, dan doet hij enkele decennia later hetzelfde. Zo weet hij dat wat hij daarover schrijft, juist aanvoelt.

Bovendien zijn zijn hoofdpersonages altijd in zekere zin verzamelaars. ze lijken een afspiegeling van hemzelf. Peeters duikt in archieven, hij praat met personen – in mijn notities staat ‘praat met personages’ en dat is het bij De bloemen ook, aangezien de meeste familieleden met hun echte naam erin voorkomen. Maar het blijft wel een roman en dat toont hij op hilarische manier aan door te zwaaien met een lijst, samengesteld door een oom. Op die lijst staan in de eerste kolom alle personages uit het boek vermeld, in de tweede kolom de gebeurtenissen uit het boek die ze echt meemaakten en in de derde wat neef Peeters verzonnen heeft. Alle familieleden kregen een exemplaar van die lijst.

Klungelen tot er structuur ontstaat

Peeters’ romans bezitten vaak een formeel structuurelement, nog een opvallend verschil met de meer personagegedreven en naar een climax toewerkende Reugebrink. In De bloemen hebben veel hoofdstukken een bloemennaam als titel. Ze drukken een tijdsgeest uit: elk decennium kent zijn eigen bloem, heeft een andere bloem die in de mode is. Verder roepen bloemen betekenisvelden op die hij functioneel inzette. Ook zei Peeters van het beeld van de snijbloem te houden: op haar mooist en stervende.

Ook andere romans van Peeters vertonen structuurelementen: in elk hoofdstuk van Het is niet ernstig, mon amour zit een kuifjetitel verborgen, Mijnheer Sjamaan telt honderd hoofdstukken, even veel als het grid van tien op tien dat de hoofdpersoon moet testen op zijn graad van vervuiling, in Grote Europese roman is elk hoofdstuk gekoppeld aan een hoofdstad van Europa. Peeters verwijst in zijn lezing naar Het periodieke systeem van Primo Levi en het werk van Georges Pérec als inspiratiebron en spreekt zonder schroom van zijn postmoderne invalshoek. Hij houdt ervan om niet-narratieve procédés te gebruiken: de dingen naast elkaar zetten, de klassieke chronologie doorbreken en toch verbanden leggen.

Maar – en daar raken Peeters en Reugebrink elkaar al een eerste keer – Peeters heeft geen groot plan vooraf. Hij begint te schrijven en schuift en puzzelt en schrapt in zijn materiaal, maakt wel een tiental versies van een boek hij het licht ziet. Primordiaal daarbij is het ritme van de zinnen. Dat moet perfect zitten. Ook dat deelt hij met Reugebrink – en ik denk zelfs met alle auteurs. Ritme lijkt me het moeilijkst definieerbare aan een tekst, het moeilijkst inoefenbare en tegelijk cruciaal. En ook iets persoonlijks, want het ritme van Peeters is niet dat van Reugebrink, maar beiden zitten wel juist. Dat kan ik zeggen los van persoonlijke voorkeuren. En tot slot: het is een noodzakelijke, maar geen voldoende verklaring voor de kwaliteit van een literaire tekst.

Het meerstemmige jongetje

Het ontstaan van Duizend heuvels was een grotere queeste. Peeters las zo’n driehonderd boeken over Rwanda, interviewde een tachtigtal mensen, reisde drie keer naar Rwanda, maakte zelf geen gacaca mee, maar hoorde voldoende over zo’n rechtszaak volgens oud Rwandees gebruik om er eentje te kunnen neerzetten in zijn roman. Bij Duizend heuvels krijgt wie de roman gelezen heeft, na de uiteenzetting nog duidelijker te zien hoe hij de feiten fictionaliseert. Daar ligt voor Peeters meteen ook de meerwaarde van de roman: ‘De roman is bijzonder goed geschikt om de meerstemmigheid te brengen.’ Maar – en dit maakt meteen het onderscheid met het laissez-fairepostmodernisme – Peeters heeft wel zijn mening over de situatie in Rwanda en over wat er gebeurd is tijdens de genocide in 1994. Al laat hij verschillende stemmen horen in zijn roman, hij laat ook aanvoelen in welke mate die stemmen geloofwaardig (tot soms zelfs leugenachtig) zijn. Hij toont bijvoorbeeld aan dat de termen ‘Hutu’ en ‘Tutsi’ van oorsprong een sociaal onderscheid aanduidt dat door de Belgische kolonisator tot echte labels op een identiteitskaart uitgegroeid zijn.

Naast de maatschappelijke kant van de roman kwam toch vooral het esthetische aan bod en het grote, onderschatte belang daarvan in ons leven: ‘De werkelijkheid is zo schoon en zo literair dat je niet anders kunt dan die te gebruiken.’ Anders gezegd: het esthetische argument is zowel een grond waarop hij zijn materiaal kiest als een verantwoording om het materiaal in een roman in te zetten. Daaraan gekoppeld houdt Peeters van het kleine, het detail. De haartjes, huidschilfers, stofjes van een pluisje zijn even rijk aan verhalen als een wereld aan grote geschiedenissen. Ook respecteerde hij altijd de vraag van mensen om een bepaalde brok informatie niet te gebruiken. Dat kwam terug in de vragen en dat respect vond hij belangrijk, als ruil voor het vertrouwen dat mensen hem gaven.

Van de verschillende vragen uit het publiek viel er zoals gezegd eentje in de prijzen. Peeters gaf die persoon een boekje met fragmenten uit zijn notities bij Duizenden heuvels cadeau, in ruil voor de vraag: wat houdt de verschillende verhaallijnen van De bloemen samen? Wat maakt dat die roman toch nog één geheel is? Het antwoord hierop lijkt me een kern van meteen ook Peeters’ oeuvre uit te maken. Peeters wees namelijk op wat de drie generaties met elkaar verbindt en dat is ‘jongensachtigheid’. Alledrie de mannen zijn nooit helemaal volwassen geworden en zijn in wat ze deden in zekere zin jongens, speelgrage jongens gebleven. En dat was meteen ook waarom hij romans schreef: om een speelgrage jongen te blijven.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *