Poetry slam: meer dan mainstream

Ik moet bekennen dat ik altijd een tekst over poetry slam en podiumpoëzie met de nodige reserve lees. Ik kan het niet laten om nog voor de eerste letter te hebben gelezen niet akkoord te zijn. maar als ik nu, na het lezen van Podiumpoëzie: de nieuwe mainstream van Daan Borloo, besluit om mijn ergernissen neer te schrijven, is het omdat ik het gevoel heb dat ze een noodzakelijke aanvulling vormen op wat in se een goede, uitdagende tekst is. Hij is de moeite waard om er iets bij aan te vullen. Maar dus, puntgewijs:

1. Als Borloo Tom Lanoyes ‘Pleidooi van een performer’ citeert, zou hij in mijn ogen beter ook Dirk van Bastelaeres reactie citeren. Die wees er namelijk op dat Lanoye zich de term ‘performer’ ten onrechte toe-eigent. ‘Performance’ komt uit de kunstwereld en wijst daar op acties die een kunstenaar in het gewone leven neemt om mensen zich weer bewust te maken van hun eigen omgeving. Een belangrijk aspect is het element van onzekerheid. De performer weet wat hij of zij gaat doen, maar niet hoe de mensen zullen reageren en hoe die het resultaat van de performance zullen beïnvloeden. Een extreem voorbeeld is de performance Rhythm 0 van Marina Abramovic waarbij ze het publiek haar lichaam voor zes uur aanbood, samen met een tafel vol attributen. Zes uur later was ze bijna helemaal uitgekleed door het publiek, zat ze vol wonden en zette iemand zelfs een pistool tegen haar nek. Ook de acties van grondleggers als Joseph Beuys en Allan Kaprow hebben altijd een element van onzekerheid in zich.

In vergelijking daarmee spelen slamdichters erg op veilig: ze leren hun teksten uit het hoofd en behalve een mogelijke openingszin die inspeelt op de situatie van die avond komt er geen improvisatie aan te pas.

Met deze opmerking wil ik de term ‘performer’ enerzijds in perspectief plaatsen, anderzijds aantonen dat de term, net zoals Borloo wel aantoont voor de term ‘slam poet’, uitgehold is geraakt.

2. Borloo gebruikt een interessant onderscheid tussen voordrachtkunstenaars en performancepoëten, maar zijn voorbeelden overtuigen me niet zo. Ik snap dat Martijn Neelen in vergelijking met Charlotte van den Broeck meer performancepoëet is, maar in het licht van dichters als ACG Vianen en een ouwe rot als Jaap Blonk, of zelfs Johnny The Selfkicker, heb ik neiging om Neelen zelfs eerder in het kamp van Van den Broeck te steken. Uiteindelijk is zijn voordracht op de eerste plaats een emanatie van zijn tekst.

Je zou in plaats van een zuivere tweedeling van een glijdende schaal kunnen spreken. Daarbij staat Neelen meer in het midden van het spectrum dan Van den Broeck. Nog interessanter is het om gewoon een onderscheid in invloeden te maken. Waar Van den Broeck duidelijk, alleen al vanuit haar opleiding, uit de klassieke voordracht en het theater komt, haalt Neelen zijn invloed uit de rap en uit de standupcomedy. Vianen en Blonk sluiten dan weer bij de experimentele orale poëzie aan. Vanuit een invloedenonderzoek kunnen er veel meer facetten aangeraakt worden en hoeven we niet in een zwart-wittegenstelling te blijven hangen.

3. Borloo schrijft: ‘Tegelijk getuigen de Belgische, Nederlandse, Europese en zelfs wereldkampioenschappen ‘Poetry Slam’ van een verregaande institutionalisering van die [competitieve] logica. Bij zulke evenementen wordt het wedstrijdaspect niet alleen gerespecteerd, maar op de spits gedreven. De concurrerende podiumpoëten verschillen op dat moment in niets van de wielrenners die voor de regenboogtrui en de prijzenpot fietsen, in plaats van voor de gratis pint en wisselbeker die we met de meest obscure cafés associëren.’ Het klopt dat het oorspronkelijke idee van Marc Kelly Smith om een poëzieavond wat spannender te maken voor deelnemers en publiek door er een wedstrijdelement in te steken met een symbolische prijs aan het einde op de spits is gedreven door de kampioenschappen. Maar Borloo stelt het groter voor dan het in werkelijkheid is. Hij was duidelijk niet aanwezig op het Europees Kampioenschap dat dit jaar nochtans in Leuven plaatsvond, want waar bestond die prijzenpot nu uit? Een gratis pint inderdaad, naast de symbolische titel ‘European Slampion 2016’. Dat is toch iets anders dan wat Peter Sagan dit jaar in Qatar verdiend zal hebben.

4. Borloo vergeet ook de democratiserende kant van poetry slam toe te lichten. Van in het begin mocht iedereen deelnemen aan de poëzieavond. Er was geen drempel, geen selectie-element. Iedereen mocht zich uiten zoals hij of zij dat wilde.

Ook die democratiserende kant is geïnstitutionaliseerd. In de Verenigde Staten wordt poetry slam gebruikt op scholen om jongeren zich te leren uiten. Het is op bepaalde plaatsen een belangrijk instrument geworden voor minderheden en subculturen en het helpt jongeren om onvermoede talenten te ontdekken. Ook in Vlaanderen zie je meer en meer dat poetry slam opduikt op scholen. Als we lezen in het recentste PISA-onderzoek dat het Vlaamse onderwijs alsmaar meer eentje met twee versnellingen wordt, dan kan poetry slam misschien helpen om stem te geven aan wie we vandaag niet horen.

5. Borloo wijst er terecht op dat er een gedegen podiumpoëziekritiek ontbreekt, maar hij mag niet alle schuld bij de academici leggen. Evengoed nemen uitgevers geen financiële risico’s om ‘lucht en beeld’ te capteren. Tien jaar geleden zag je de eerste Nederlandstalige spoken word-cd’s opduiken, maar doorgebroken naar de mainstream zijn die niet en de grote uitgeverijen zijn er terug van afgestapt. Ze verkiezen luisterboeken van bestsellers. Energie steken in een cd bij een op zich al lastig verkoopbare dichtbundel bleek niet lucratief.

6. Borloo maakt een onderscheid tussen podium en papier, maar hij ziet niet hoe het podium in het Nederlandse taalgebied werkt als een opstapje naar het papier. In Dichters van het nieuwe millenium staan bijvoorbeeld vier dichters die een slamverleden hebben. Ook zijn ongeveer alle Nederlandse slamkampioenen ook gedebuteerd op papier.

Op dat vlak vormt de Nederlandstalige slamwereld een uitzondering in Europa. In de kleinere Europese landen behoort poetry slam nog volledig tot de underground en worden slammers genegeerd door de gevestigde literaire wereld. Alleen in de grote landen – Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië – slaagt poetry slam erin een parallel circuit te vormen. Daar verschijnen wel cd’s en dvd’s, want alleen daar is er voldoende publiek om die investering terug te verdienen.

Maar zeker in Nederland worden slammers als het ware omarmd door uitgevers. Het Nederlands Kampioenschap werkt als een selectiecriterium, ook voor Vlaamse dichters die daaraan meedoen. Hoe dat komt en welke invloed dat heeft op de poëzie die tijdens slamavonden met de prijzen wegloopt, is een verhaal dat nog geschreven moet worden.

Dat laatste geldt voor poetry slam in het algemeen: er valt nog veel over te zeggen. In die reflectie erover zit slam wel nog in de underground. Alleen al daarom blijft het goed dat Borloo een nieuwe aanzet tot gedachtewisseling geeft. Met deze reactie ga ik graag het gesprek verder aan.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *