Zes poëzielessen van Peter Holvoet-Hanssen

In het Basisjaar Literair Schrijven krijgen de deelnemers lezingen van bekende auteurs aangeboden. Dit jaar heb ik me voorgenomen om van elke lezing een verslag te maken. Vandaag mijn verslag van de lezing over poëzie van Peter Holvoet-Hanssen op 16 oktober 2013.

Peter Holvoet-Hanssen is op veel vlakken een bijzonder dichter. Hij heeft bijvoorbeeld de taal zo naar zijn hand gezet dat elk vers, elke frase in zijn poëzie aan zijn wereldvisie bijdraagt. Of eigenlijk slorpt zijn visie alle taal op die hij maar ergens tegenkomt – of het nu Griekse of Inca-mythes zijn, de geschiedenis van de middeleeuwen of die van gisteren, de taalvondstjes van zijn dochter of (tijdens zijn Antwerps stadsdichterschap) die van elke Antwerpenaar. Een tweede bijzonderheid is de begeestering waarmee hij over zijn eigen gedichten of over de poëzie in het algemeen praat.

Die tweede bijzonderheid was de reden om Holvoet voor een lezing over poëzie uit te nodigen. Die eerste daagde me dan weer uit om bij het herlezen van zijn werk naar gaten te zoeken, naar een andere invalshoek op zijn werk, los van het zelfverklaarde verhaal dat ik al enkele keren van hem te horen kreeg. En laat me hierbij maar meteen bekennen: het is me niet gelukt. Ik botste wel op passages die vragen opriepen, of ik stoorde me al eens in een gedicht aan een plotse wending die me uit mijn intimiteit met het gedicht wierp. Maar een eigen positie, neen, die veroverde ik niet. Iets ontsnapte me en wat had ik anders kunnen verwachten van een dichter die debuteerde in het aura van de grote ontsnappingskunstenaar Houdini?

Het derde element doet swingen

In zijn lezing slaagde Holvoet erin me te verrassen en beantwoordde hij zelfs de vraag die ik hierboven niet geformuleerd kreeg. Ik had Holvoet al voor verschillende publieken horen voordragen of lezingen geven, maar nu opende hij zijn lezing heel persoonlijk met een verhaal over zijn vader. Zijn vader had namelijk de onhebbelijke gewoonte om op familiefeesten de aanwezigen tot stilte en een respectvol rechtstaan aan te manen. Vervolgens wou hij iets van Vondel voordragen. En dat werd:

Rode kolen zijn geen witte
Nu mag iedereen gaan zitten

Holvoet had de toon gezet, de humor wrong er zich de hele lezing lang tussen. Maar tegelijk was er de ernst waarmee hij over de spanningen in het gezin vertelde en over hoe hij als jongen pendelde tussen zijn ouders, als een verbindingsofficier tussen twee vijandelijke mogendheden. Of tussen twee ‘tegenpolen’, een van die kernwoorden uit zijn wereldvisie. Hij maakte ons heel eenvoudig duidelijk dat als de ene persoon de hele tijd ja zegt en de andere persoon neen, er verstarring optreedt. Iedereen blijf op zijn standpunt. Maar als er een derde persoon bijkomt en de eerste zegt ja, de tweede neen, de derde terug ja, dan moet de eerste wel van mening veranderen naar neen om contrair te blijven. En dankzij het ‘derde element’ (nog zo’n Holvoetiaans kernwoord) ontstaat er een spel waarbij de tegenstellingen in beweging komen.

Holvoet is van jongs af aan in zijn eigen hoofd op reis gegaan. Woorden hebben hem leren vliegen naar avontuurlijke plekken – weliswaar een onderwatervliegen, zoals hij op grappige wijze commentarieerde tijdens een animatiefilmpje bij een gedicht van Jan Lauwereyns. Dat reizen en avonturieren hangt samen met zijn humor en vrolijkheid, maar ook het zware, verdriet en pijn krijgen een plaats in zijn wereld. En toen volgde de zin, al vroeg in de lezing, die mijn onformuleerbare vraag beantwoordde: “Het ene moment zitten we gezellig bijeen, het volgende moment slaat het leven genadeloos toe.” Dit was de wereldvisie die zijn gedicht deed springen, uit hun rol vallen en opnieuw op hun poten terechtkomen. Holvoet droeg niet voor niets zijn lezing op aan de jongen die op een Antwerps caféterras neergestoken was en die diezelfde ochtend van de lezing begraven was.

Poëzielessen voor ongelovigen

Holvoet deed veel meer dan zijn wereldvisie uitdragen, al leverde ze hem tijdens de pauze wel een mooie filosofische discussie op. hij hupppelde als een eekhoorn door eeuwen en tijdperken van poëzie, beginnende bij wat ontbrak op zijn vol boeken uitgestalde tafel: de orale traditie. Hij wees op de eerste neergeschreven literaire teksten: de Ilias en de Odyssee, Gilgamesj, Maharabharata, Beowulf, … Hij trok er een eerste poëzieles uit: poëzie heeft iets bezwerende en daar is herhaling erg belangrijk bij.

Vervolgens trok hij naar China, naar de Chinese keizer Han Wudi die volgens Holvoet als eerste een vergelijking maakt in de poëzie: zijn verdriet om zijn overleden geliefde werd vergeleken met een gevallen blad. In roetsjtreinvaart kwamen we dan in de jaren ’60 terecht, bij de eerste dichter die hem zelf inspireerde, omdat hij niet saai was maar van vrouwen en sportwagens hield: Paul Snoek. Uit een gedicht over een zeemeerman trok Holvoet een tweede poëzieles: vertel niet gewoon vanuit ‘ik’, maar maak een personage, een omweg om tot je gevoelens te komen. Daarbij wees hij erop dat er in een goed gedicht altijd iets gebeurt, zelfs als er gewoon gewacht wordt. En ook heeft poëzie een stilmakend effect volgens Holvoet: ‘We hebben taal nodig om te schrijven, maar het vreemde is dat goede poëzie stilte creëert. De tijd staat even stil.’

Een derde poëzieles volgde snel: leg jezelf spelregels op en lap ze daarna weer aan je laars. Holvoet verwees hierbij naar de middeleeuwse balladen, naar de troubadours en de jongleurs en naar de vernuftige rondeelstructuur van het Egidiuslied. Aan het eind van de lezing kwamen we in de vragen daarop terug. Ik viel daarbij uit mijn rol van interviewer en legde zelf uit dat in ‘spelregel’ vooral het woord ‘spel’ belangrijk is. Als je alleen de regels voelt bij het schrijven, dan klopt het niet. Een schrijver moet zin hebben in het spel.

Lyrisch en beredeneerd

Dan zette Holvoet weer een grote V op het bord. Die had hij al eerder gebruikt om de kloof én de verbinding tussen tegenpolen aan te geven, maar nu schreef hij er links ‘vervoering’ en rechts ‘belevenis’ bij. Hij zei er eerst bij dat men in een gedicht alle vrijheden heeft: ‘Je bent vrij in een gedicht om verschillende eeuwen en verschillende plaatsen te bespoken.’ Maar twee zaken moet je als dichter wel nastreven. Een gedicht moet vervoeren – wat meer is dan ontroeren, Holvoet noemt daarom taal een vervoermiddel. En ten tweede moet een gedicht lezen een belevenis zijn. Daarom mag (maar moet niet) een gedicht ook shockeren, ontregelen. Waarna een vierde poëzieles volgde: daag jezelf als schrijver uit, durf tot op het bot te gaan.

Ondertussen was Holvoet bij vandaag aanbeland. Hij was blij dat in de hedendaagse poëzie het lyrische en het beredeneerde weer mogen samenkomen. Ook merkte hij flamboyant op dat poëzie willen begrijpen een belediging voor de poëzie inhoudt, enkel en alleen omdat begrijpen een vatten in een bestaand keurslijf is en er is nog zo veel meer mogelijk dan de keurslijven waarin we ons dagelijks steken. Poëzie kan ons daar net uit bevrijden (poëzieles zes), door bijvoorbeeld een ongewoon camerastandpunt in te nemen. Holvoet gaf enkele voorbeelden, waaronder dat van Constantijntje van Vondel (in het gedicht Kinder-lyck), waar de ouders niet rouwen om hun gestorven baby, maar waar de zoon vanuit de hemel naar de ouders kijkt en hen probeert te troosten. Ook Paul van Ostaijen schrijft in zijn nagelaten gedichten over zijn diepste zielenroerselen zonder dat hij zelf in het gedicht voorkomt.

Soms zei Holvoet zaken die we al wel eens gehoord hebben, zoals dat poëzie een geconcentreerde vorm van taal is. Maar zijn enthousiaste vertelwijze blies het stof van die woorden en maakte ze glanzend en nieuw. Of soms verwoordde hij de zaken net iets anders. Zo werd de al vaak gehoorde opmerking dat literatuur je leven verandert, bij hem plots erg tastbaar: ‘Gedichten leven wanneer we een ander gevoel hebben dan voor we begonnen te lezen.’ Dat gevoel hadden we na deze lezing zeker tegenover poëzie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *