Party crasher

Zou ik mijn gedichten hebben laten plaatsen in Deus ex Machina 155 als ik had geweten dat het een special voor de tachtigste verjaardag van Hedwig Speliers was? Die vraag heeft me op nieuwjaarsnacht wakker gehouden nadat ik op 31 december twee presentexemplaren van het literaire tijdschrift in mijn brievenbus vond. Het is niet zo dat ik zelf niets met de man of de dichter te maken wil hebben, maar hij houdt niet van mijn poëzie en spreekt bijgevolg liever in verkleinwoordjes over mij. En, zoals ik op Facebook schreef, ‘nu kom ik zijn feestje bederven met mijn “zeven (proza)gedichten”‘.

Tegengestelde dichters

We zijn nu eenmaal verschillende dichters met een tegengestelde drive. Om het met een beeld te zeggen – ik pretendeer niet dat het letterlijk zo is – : hij lijkt me te werken aan een gedicht tot het gedicht thuiskomt. Ik werk aan een gedicht tot het verandert, ergens komt waar het nog niet is geweest. Dat is op zich niet erg, maar als we vanuit onze eigen drang elkaars werk lezen, dan kan ik nog van zijn werk genieten wanneer de omweg om thuis te komen boeiend is, maar hij kan principieel niet tevreden zijn met mijn poëziedrang, want er is geen thuiskomst.

En hij heeft mijn poëzie gelezen. Grondig. Elke bundel recenseerde hij voor Poëziekrant.

Recensent

Ik heb Speliers één keer ontmoet, op 6 december 2008, bij de bundelpresentatie van laat[avond]taal van David Troch in De Zondvloed in Mechelen. Hij had enkele maanden ervoor mijn debuut besproken. Er stonden zaken in waar ik het niet mee eens was, hij was kritisch, maar er sprak vooral een grote toegewijdheid aan de poëzie uit en hij koos voor een invalshoek die niet de mijne was, maar die me wel op een andere manier naar de bundel deed kijken. Hij vertrok vanuit de motto’s, maar niet vanuit wat ze vertelden, maar vanuit de auteurs ervan – en dan vooral vanuit Guattari. Op dat ogenblik was Guattari voor mij vooral een aanhangsel van Deleuze en door de biografische uitleg van Speliers leerde ik naar zijn eigen verdiensten kijken.

Daarnaast haalde Speliers Faverey als een van mijn invloeden aan. Ik weet niet of dat kan op basis van die vier of vijf gedichten die ik toen in de loop van vijftien jaar van hem gelezen had, maar die opmerking hielp me wel over een angst en verering heen, waardoor ik tot dan toe geen bundel van Faverey had durven tot mij nemen. Die schade heb ik ondertussen ingehaald, ook dankzij Speliers.

Om die inzichten en om zijn toegewijdheid wou ik hem die avond bedanken voor de recensie. Er was weinig tijd nog, hij had zijn jas al aan en stond op vertrekken, maar toen ik op hem toe stapte, kreeg ik de kans niet om iets te zeggen. Als de leerkracht die hij ooit geweest was berispte hij me en zei hij me dat ik beter mijn best moest doen.

Blijkbaar heb ik dat niet gedaan. En evolueerde ik van potentieel sterke dichter naar zelfverklaard genie. Ik ambieer voor alle duidelijkheid geen enkele titel en ik ben altijd – niet alleen bij Speliers – verbaasd wanneer het werk als aanleiding dient om zich over de persoon een mening te vormen. Misschien is dat voor Speliers wel zo, maar die solipsistische puurheid van het klankenuniversum, waarin de ik de wachter vormt, het sluitstuk van de burcht, is mij vreemd. Bij mij treedt de context veel meer op het voorplan, en dat zorgt dat ook de poëtische ik een andere, minder dominante functie krijgt. Om het met het bekende verhaal Vóór de wet van Franz Kafka te zeggen: als in Speliers’ werk de poëtische stem een wachter is, dan is bij mij de verteller meer de verdwaalde man die door de wachter tegengehouden wordt om in de voor hem voorbestemde poort binnen te gaan. De ene keer gaat hij toch binnen, de andere keer niet, nog een andere keer beeldt hij zich alleen in dat hij binnengaat.

Dit vergt een ambiguer leeshouding. Met de wachter – de gevolmachtigde van de Wet – is het gemakkelijk identificeren. Die beheerst de regels van het spel. Mijn poëzie laat geen volledige identificatie toe, omdat er altijd een frictie tussen contexten is: simpel gezegd die tussen de verwachtingen scheppende presentatie in een dichtbundel en de aangehaalde niet-poëtische context. De lezer wordt in verschillende leeswijzen tegelijk geduwd, terwijl z/hij er maar één tegelijk kan volgen.

In Stormen, olielekken, motetten bijvoorbeeld staat een bladzijden lang gedicht met een oplopende rij streepjes in de kantlijn. Speliers beschrijft dit gedicht meticuleus in zijn recensie, maar hij legt niet de associatie met de context van een e-mailconversatie, en daarmee gepaard gaande het feit dat het gedicht een dialoog is die samen met het aangroeien van de streepjes verder terug in de tijd gaat. Het gedicht vertelt op een bepaald niveau het omgekeerd chronologische verhaal van een relatie, vanaf een laatste contact na de breuk tot aan de eerste ontmoeting. Op een ander niveau is het ook een gesprek tussen een proza- en een poëziestem, waarbij die laatste, verblind door woorden, zichzelf uiteindelijk in zijn/haar hemd zet. In de context van een bundel die onder andere onderzoekt hoe het prozaïsche een verrijking kan vormen voor het strikt poëtische, hoe het nieuwe mogelijkheden schept, kan ik snappen dat een pleitbezorger van de zuivere lyriek gewoon het onderzoek afwijst en zelfs zover gaat om de uitgeverij van dienst af te raden om nog zo’n onderzoek te publiceren. Het is hem onwelgevallig.

Party crasher

In Deus ex Machina vertelt Lies Van Gasse over hoe blij ze telkens is met een recensie van Speliers: ‘Hij is degene die een publiek wil leren je gedichten te lezen en zo de weg toont naar de kern van je poëzie. Hij is iemand die zich inleeft in je werk, en die het vanuit dat inlevingsvermogen ook begrijpt. Wat hij schrijft, verschaft je als dichter vervolgens bepaalde inzichten die je zelf verder helpen op je parcours.’ Mijn persoonlijke ervaring staat hier diametraal tegenover. Als dichter waar het mijn eigen recensies betreft, maar ook als publiek. Ik herinner me bijvoorbeeld van zijn bespreking van Leegte lacht van Tonnus Oosterhoff dat hij het niet begreep en dat dat de schuld van de dichter was. Ik herinner me uit zijn recensie van De oksels van de bok van Annemarie Estor dat het geen goed idee is om naar verschillende niet-westerse tradities te verwijzen. En zelfs bij zijn positieve recensie van Wentelingen van Lies Van Gasse was ik teleurgesteld. Ik had nochtans nood aan een recensie die mij ‘de weg toont naar de kern’, want ik geraakte niet in die bundel. Op een bepaald ogenblik in de recensie haalt hij een heel gedicht aan en daarna zegt hij het te gaan analyseren. Maar hij parafraseert het alleen, met weglating van wat er poëzie van maakt. Ik stond nog altijd even ver.

Vanuit beide richtingen moet het besluit zijn: wij horen niet bij elkaar. Al sluit ik niet uit dat dat in de toekomst nog kan veranderen. Maar opnieuw: vandaag heb ik het gevoel dat ik zijn feestje vergal. Er is nochtans een goede wijn, mooie klassieke muziek op de achtergrond, een gesprekje met de jarige, mensen die wat anekdotes komen vertellen. En dan trommelen ze mij op om enkele gedichtjes voor te lezen. Nog voor ik een woord gezegd heb, zie ik Speliers naar de party planner benen. De micro gaat uit, de lichten aan. En even weten we niet wie daar het meeste in zijn blootje staat. Speliers of ik.

One thought on “Party crasher

  1. Pingback: Party crasher | ensafh

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *