Negen uit het geheugen geschraapte flitsen

Vorig weekend bezocht ik voor de negende keer het sympathiekste festival van het Nederlandse taalgebied: Dichters in de Prinsentuin. Dit moeë lichaam houdt daar de volgende herinneringen aan over:

1. Toon Tellegen leest zijn gedicht De optocht integraal voor. Deze 140 minuten durende voordracht is op zich al een prestatie en een uitzonderlijke ervaring. Het publiek van De nacht van de lange verzen zal dit begrijpen. Maar het gedicht zelf is ook indrukwekkend. Het is niet alleen een optocht van mensen van allerlei slag, het is niet alleen bijtend naar bankiers, naar religieuzen en naar de onopvallende mens, het is ook een optocht van de ongelooflijke rijkdom van onze Nederlandse taal. Elk lexicaal betekenisvol woord komt er één keer, maar ook niet meer dan één keer in voor. En het gedicht is ook een groeiend organisme. Ik heb de derde verbeterde druk in mijn handen, maar Tellegen draagt een nog nieuwere, nog langere, rijkere versie voor. Wanneer hij aan zijn slotwoord ‘nederlaag’ komt, glimlacht hij alsof het een overwinning is. De staande ovatie duidt de winnaar aan.

2. Ik overnacht samen met nog enkele dichters bij Kasper Peters en Fieke Gosselaar. Bij de brunch zaterdagochtend vraagt Rodaan Al Galidi aan Kasper wat zijn lievelingsgedicht is. Kasper staat recht en begint een gedicht van Shell Silverstein te declameren. En nog een gedicht. En nog een kindergedicht van een derde dichter, telkens met een stem die die gedichten meer dan tot leven brengen. Hij haalt een boek uit 1650 uit zijn koffer dat hij gebruikt in zijn workshops op middelbare scholen. Hij toont ons enkele van de etsen en leest dan een gedicht voor over een bolronde Bacchus met een kleine piemel. Daarna tovert hij nog een erotische dichtbundel uit de kast dat in de achttiende eeuw anoniem gedrukt werd en onder de toonbank verkocht en leest er ons een van de twintig kussen uit voor.

3. De Zuid-Afrikaanse Marlene van Niekerk leest op de openingsavond gedichten voor die heel anders zijn dan wat het gros van de Nederlandse poëzie vandaag brengt. Geen gekke anekdotes uit een onvatbare wereld, maar lange, verhalende gedichten die de ene keer een vrolijk taalspel zijn (haar openingsgedicht over een klauwier), de andere keer politiek en pittig (liefdevol over Mandela, heel hard over de minister van onderwijs). Achter haar begint de muur van de oude suikerfabriek te gloeien.

4. De poëzie van Tsead Bruinja is dan weer net vaak onbeschaamd anekdotisch, op zoek naar de universele meerwaarde erin. Als hij die gedichten dan brengt onder muzikale begeleiding van Jaap van Keulen, ontstaat er een strak geheel dat je van begin tot eind doet luisteren (een hele prestatie op zondag, merk ik later bij mijn moeë zelf). Deze jarenlange samenwerking is af, kan zo op de Nacht van de Poëzie geplaatst worden.

5. Een overtuigende uitzondering die zich ook politiek inlaat, is Caglar Köseoglu. Hij verwijst in zijn poëzie vaak naar Turkse wantoestanden, maakt er tegelijk sterke poëzie van. Zo had hij een Mustafa-gedicht waarvan je als luisteraar onmiddellijk het trucje doorhad: elk laatste woord van een zin wordt het eerste woord van de volgende zin. En toch leidt het tot een bijtend, inzichtrijk, militant gedicht. Dit is in mijn herinnering het strafste gedicht dat ik op 50 uur Dichters in de Prinsentuin gehoord heb.

6. Köseoglu is maar één voorbeeld van de vele nieuwe jonge dichters die zich op Dichters in de Prinsentuin aan het publiek tonen. Andere namen die mij bijgebleven zijn: Gerda Blees, Meliza de Vries, Marc van der Holst (met boeiende prozagedichten) en Maarten Buser (die laatste ook en vooral omdat ik nog een gesprek over recensenten met hem openstaan heb).

7. Ook de gekende namen verrassen soms. Ik zou hier als hoogtepunt het door Tarkos geïnspireerde gedicht van Jan Baeke kunnen vermelden, of hoe Sylvie Marie het gevoel voor timing van Maud Vanhauwaert afgekeken heeft én er veel op heeft geoefend, of het gedicht ‘Hannah Arendt’ van Joost Baars waar ik speciaal voor op mijn stappen terugkeer in de loofgangen. Maar ik kies voor een gedicht van Froukje van der Ploeg en meer bepaald de volgende verzen:

De dochter zegt: zoveel weet ik niet
over mijn moeder ik heb geleerd
haar dicht te houden.

Ik val onherroepelijk voor de dubbelheid van dat ‘dicht’ aan het eind. Nadat ik haar in de loofgangen vraag om het gedicht nogmaals voor te lezen, krijg ik het gedicht van haar cadeau.

8. Zijn er dan ook geen erg slechte dichters? Ja, eentje. Hij heeft amper twee of drie bladen in zijn handen. Terwijl hij voorleest, frons ik mijn wenkbrauwen. Ik lees zijn naam. Zijn naam staat niet in het programmaboekje. Deze man heeft zich er onuitgenodigd tussen gewurmd, maar hij ontmaskert zichzelf met zijn gedichten. Hij levert het bewijs dat de redactie een goede selectie gemaakt heeft, los van mijn persoonlijke voor- en nakeuren, en dat iedereen die hier optreedt, zijn of haar plaats verdient.

9. De terugreis. In de auto zit Max Temmerman ons van achter het stuur op de buizerds langs de weg te wijzen, die wij telkens weer missen. Michaël Vandebril is co-piloot en Sylvie Marie en ik eten chips op de achterbank. Het regent, maar in de verte gloort al een opklaring die wij België noemen. Ondertussen herbeluisteren we de intro van ‘I want you’ van Elvis Costello, die dit lied een ironische bodem meegeeft die veel mensen op openingsdansen van huwelijksfeesten lijkt te ontgaan.

One thought on “Negen uit het geheugen geschraapte flitsen

  1. Als je regelmatig een huwelijksfeest in dit lage land bijwoont merk je dat inderdaad velen de ironie ontgaat. Het is ook het geval op het groot smoelenboek. Op begrafenissen daarentegen is er geen plaats voor ironie noch voor onbegrip. Enfin, zelf ga ik nog zelfden naar huwelijksfeesten en al helemaal niet hier te lande.
    Prinsheerlijk ondertussen die tuin. Heeft Akim Willems niet voorgedragen?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *