Marc Reugebrink voorbij de gêne: schrijven maakt gelukkig

In het Basisjaar Literair Schrijven krijgen de deelnemers lezingen van bekende auteurs aangeboden. Dit jaar heb ik me voorgenomen om van elke lezing een verslag te maken. Vandaag mijn verslag van de openingslezing van Marc Reugebrink op 18 september 2013.

Ik nodigde enkele maanden geleden Marc Reugebrink uit om de openingslezing aan het Basisjaar Literair Schrijven te geven. Ik vroeg hem als vertrekpunt voor zijn lezing wat volgens hem de betekenis en het nut van de literatuur was in de wereld. Vanuit zijn essaybundels De inwijkeling en vooral Het geluk van de kunst leek hij mij de perfecte persoon om hierover te komen praten. Toen ik later die eerste bundel herlas, besefte ik echter dat mijn vraag al in zijn formulering een (verkeerde?) richting aangaf. Juister was geweest om het met hem over de waarde van de literatuur te hebben. Misschien zou hij wel het al te utilitaristische nutsdenken in zijn lezing verwerpen, bedacht ik.

Eerst de gênante antwoorden

Dat gebeurde niet. Reugebrink trok aan het begin zelfs de vraag open, ging voor de geïmpliceerde vraag: waarom schrijf ik? In het eerste deel van zijn lezing overliep hij de – hij noemde ze zelf ‘wat gênante’ – antwoorden: omdat ik niet anders kan, omdat ik het graag doe, omdat het het enige is wat ik kan. Dat is wat je onder vrienden op zo’n vraag antwoordt, dat zijn de clichés waar hij in het eerste deel van aantoonde dat ze, toch voor hem, ook een grond van waarheid bezaten. Hij deed dat in een eerst aftastende, vervolgens doortastende gedachtegang. Wie al een roman van Reugebrink gelezen heeft, zal de spreekstijl zeker herkend hebben.

Vooral op het gelukmakende van het schrijven ging hij dieper in. Hij haalde daarbij Cesare Pavese van onder het stof. Die was lang niet altijd gelukkig met wat hij vormgaf, maar wel met dat hij vormgaf. En eerder al in de lezing maakte Reugebrink een interessante perspectiefwissel van de schrijver naar de lezer.Voor de lezer, misschien zelfs meer dan voor de schrijver, is het van belang of het lezen voor hem een soort therapie vormde. Een soort catharsis. Dat merkte hij aan lezersreacties en dat verlangde hij zelf als lezer: om geraakt te worden, om anders naar de werkelijkheid te kijken, om op zijn minst de werkelijkheid op een manier geformuleerd te krijgen, zodat je zegt als lezer: inderdaad, zo is het.

En dat effect bereikte hij in zekere zin voor zichzelf ook door te schrijven. In wat ik populair-psychoanalytische termen zou noemen betekende het schrijven voor hem: “Tijdens het schrijven kom ik mijn eigen menselijk tekort op het spoor.” “Literatuur dwingt ons onszelf te definiëren.” En: “Literatuur maakt ons steeds meer tot wie we zijn: mens.”

Literatuur als humaniseringsmedium

In het tweede deel verbreedde hij de vraag van het persoonlijke naar: wat is de betekenis van DE literatuur? Daarbij herhaalde hij de analyse die ook al in Het geluk van de kunst uitgebreid staat, namelijk dat literatuur in de negentiende eeuw in de kern stond van de betekenisgeving van de mens, maar dat het die rol kwijtgeraakt is en alleen nog maar de media-aandacht haalt in de vorm van verkoopcijfers, ontslagen bij uitgeverijen of rellen tussen schrijvers onderling. Het inhoudelijke, analytische debat raakt ondergesneeuwd ten nadele van de sensatie, de ontvlambaarheid. Dit kaderde in de bredere vaststelling dat mensen bijna alleen nog maar als consumenten aangesproken worden. Hier kwam Reugebrink opnieuw met zijn vaak verguisde uitspraak dat recensies in dagbladen alleen nog maar als consumentenadvies functioneerden. En misschien zei hij zelfs dat ze dat ook daadwerkelijk waren, maar ik formuleer het nu even op een manier waarop ik hem gelijk kan geven.

Reugebrink haalde in dit maatschappelijker tweede deel Martha Nussbaum aan en vooral ook Peter Sloterdijk, die ooit literatuur als humaniseringsmedium omschreef. Bij die filosofen voelde ik het publiek soms wat naar adem happen. Gelukkig verduidelijkte Reugebrink de Sloterdijkiaanse wendingen en neologismen telkens ook in eigen bewoordingen, waardoor de toehoorders niet moedeloos hoefden te worden.

Opnieuw kwam het er in dit tweede deel op neer dat we ons dankzij de literatuur leren verplaatsen in de ander en dat literatuur ons leert dat de mens nooit af is en zal zijn. Reugebrink noemde dat een romantische notie en plaatste die nu expliciet tegenover de realiteit waarin een schrijver niet meer dan een amusementsman moet zijn. Om die tweespalt te illustreren las hij als slot van de lezing het openingshoofdstuk van het eerste essay uit Het geluk van de kunst voor. Daarin vertelt hij zijn wedervaren als winnaar van de Gouden Uil, over hoe hij zich graag nu en dan even een Groot Auteur voelt en over het kleinmenselijke dat zijn overwinning ook opriep.

Na de pauze: tijd verlummelen en de jaren ’70

Na de pauze ging Reugebrink op vragen van het publiek en mezelf in. De lijn was minder uitgezet als tijdens de lezing, maar het gesprek was even bevlogen. Hij lichtte zijn schrijfproces toe. Zo begint hij de dag met de krant te lezen en – blijkbaar erg belangrijk als schrijver – tijd te verlummelen. Als hij dan achter zijn computer gaat zitten, herleest hij eerst wat hij de vorige dagen geschreven heeft. Hij prutst en priegelt daaraan verder en na verloop van tijd komen er nieuwe zinnen bij aan het manuscript en ontwikkelt het verhaal zich verder. Ook heeft hij nooit een uitgesproken plan en ontstaat de ontknoping van de roman al schrijvende. Hij gaf ons hierbij een inkijk in het ontstaansproces van zijn nieuwe roman Het Belgisch huwelijk. Dit verhaal verduidelijkte me wel waarom zijn romans telkens naar een climax toewerken, een slot dat de betekenis van de roman in zich draagt. Die climax dringt zich blijkbaar tijdens het schrijven aan hem op en ligt niet op voorhand vast.

Ook onthield ik dat Reugebrink stopte met poëzie te schrijven, omdat hij er voor zichzelf geen uitdaging meer aan zag en omdat hij vond dat anderen het beter deden dan hijzelf. Gevraagd ten slotte naar de herkomst van zijn opvallende schrijfstijl vergeleek hij die met het discours uit de jaren ’70: de jaren van de vrijheden en de zekerheden. De jaren waarin men zijn woorden inkapselde met ‘het is maar mijn waarheid, het is maar hoe ik het zie’ nog voor ze uitgesproken waren, bang om de persoonlijke vrijheid van de ander te schenden, bang om iets op te dringen waar men eigenlijk wel in geloofde, maar dat men niet wilde, durfde toegeven. Die gêne in taal vatten, maar ook de wil om toch iets te betekenen in de wereld, om een daad te stellen, dat lijkt me na deze lezing de kern van Reugebrinks schrijven te vormen. Zelfs al bestaat er niet zoiets als een kern.

One thought on “Marc Reugebrink voorbij de gêne: schrijven maakt gelukkig

  1. Pingback: Xavier Roelens

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *