Stormen, olielekken, motetten

Roelens lijkt de mens geen beter bestaan te gunnen. Het klinkt eerder alsof de wereld beter af zou zijn zonder de mens. Deze bundel lijkt te pleiten voor iets wat hij zijn lezer niet gunt: een betere wereld, met een schoner milieu.

Annelies Karelse, ‘Chaotisch politiek-ironisch relaas’, verschenen op 8Weekly, 17 september 2012

*
Over de tekst (ik noem het alsnog geen dichtbundel) valt niets zinnigs, laat staan zinvols, te zeggen aangezien hij zich aandient als een experiment en een experiment is niet meteen onder te brengen in de categorie van het gekende want behoort nog niet tot een of andere canon. […] Ik vermoed sterk dat de (vermeende) dichter zijn (vermeende) dichtwerk wil presenteren als een installatie. Een tekstinstallatie. […] We proberen met veel goede wil hier een touw aan vast te knopen, maar mijn koord is tekort.

Hedwig Speliers, ‘Lyrische taalinstallatie’, in Poëziekrant, jrg. 2012, nr. 4

*
Eigenlijk is dit onleesbare en onuitstaanbaar pretentieuze poëzie. Maar wie zich ervoor openstelt en de onuitputtelijke stroom woorden en beelden over zich heen laat komen, zal merken dat wat aanvankelijk ontoegankelijk leek, muzikaal een meeslepend is en een tranceachtige bewustzijnstoestand genereert. […]

Piet Gerbrandy, ‘Voor wie zich ervoor openstelt’, in De Groene Amsterdammer, 28 juni 2012

*

‘Ingeduffeld’, ‘afzetgebied’, ‘te grazen’, ‘koehandel’, ‘knulligheid’: met harde klanken probeert Roelens vanaf het begin zijn boodschap erin te rammen. […]
Geëngageerde poëzie zou geen vertoon, geen icoon, maar een vehikel moeten zijn voor haar engagement. Toon het onderwerp van je verontwaardiging zo goed je kan en doe een beroep op de morele waarden van je publiek. Waarom dat hele taalcircus, dat in feite alleen maar afleidt, er omheen gebouwd?

Bouke Vlierhuis, ‘Bouke Vlierhuis over Xavier Roelens’, verschenen op De Contrabas, 7 juni 2012

*

Na het lezen ervan blijf ik echter zitten met de levensgrote vraag zitten waarom ik deze bundel zou moeten gaan lezen. Hij is zo ontoegankelijk en weinig aanlokkelijk geschreven dat het is alsof hij opzettelijk het lezen ervan tot een zware taak wil maken. Het is bijna alsof hij een nieuwe vorm van l’art pour l’art propageert: een kunstvorm zonder publiek. En er staat zoveel kort proza in dat je je af kunt vragen of er hier nog wel sprake is van een dichtbundel en niet van een boekje met kort, experimenteel proza.
[…] Tot slot zijn de diverse kleine boodschappen voor mij niet overtuigend genoeg. Zo staat er: ‘men moet ’s avonds eten op tafel hebben/ staan en als de ogen groter dan de buik dan past de buik zich aan.’ Waarom zou ik dit willen lezen; wat is de waarde van deze twee regels? Ze zijn een beschrijving, geen argument.

Joris Lenstra, ‘Storm in een glas water’, verschenen op Meander, 4 juni 2012

*

Je kunt als individuele dichter wel de wereld willen veranderen, maar zolang er buren zijn die nog twijfelen over de leus ‘een beter milieu begint bij jezelf’, is dat onbegonnen werk. […] Zulk relativisme is in een bundel die een sense of urgency belooft enerzijds een zwaktebod; anderzijds brengt het de dichter juist in de gelegenheid ongegeneerd zijn mond open te trekken.
[…] De dichter lijkt niet in staat zijn ecokritische boodschap uitgekristalliseerd in een strak gereglementeerde literaire vorm te gieten. Wie zich werkelijk wil engageren, moet die overzichtelijke vorm overboord gooien. […] Roelens’ probleem met de conventionele vorm culmineert in het zestien pagina’s lange, als bladvullend prozagedicht gepresenteerde ‘ja/neen’, waarin nauwelijks gebruik is gemaakt van typografisch wit. […]
Wie stormen, olielekken, motetten in zijn geheel gelezen heeft, begrijpt de spot die Roelens aanvankelijk voor die buren reserveerde: als we met zijn allen toestaan dat we de oceanen leeg vissen voor een luxeproduct als haaienvinnensoep, is het een lachertje om ons op te winden over een straaltje water meer of minder.

Jeroen Dera, ‘Roerloos aaneengelaste profeten’, verschenen op De Reactor, 9 mei 2012

*

Vijf jaar eerder verscheen zijn debuut ‘er is een spookrijder gesignaleerd’. Dat was jonge poëzie, fragmentarisch, streetwise en intelligent. Roelens’ tweede bevat diezelfde ingrediënten, maar ook, zo lijkt het, een duidelijke boodschap: we gaan niet goed om met de aarde. […] 
Afstomping is het grootste gevaar, de ecologische ramp voor je ogen zien gebeuren en er ondertussen gewoon je steentje aan blijven bijdragen.

Janita Monna, ‘Dierenleed en andere rampen’, in Trouw, 5 mei 2012, ook verschenen op Versindaba

*

Wij zijn de toeristen die [doorheen de voortdurende wisselende taal- en stijlregisters] banjeren, om tot het besef te komen dat we niet alleen de natuur, maar ook de mens daarin ernstig naar de vaantjes helpen […] 
Stormen, olielekken, motetten is een assemblage die Roelens in onze handen ploft, speels en ernstig tegelijk. Bewust overdadig[.]

Paul Demets, ‘Speelse en cynische ecopoëzie van Xavier Roelens’, in De Morgen, 14 april 2012

*

Het is pas als er een ramp gebeurt dat we de urgentie voelen van het slijtpad, de vernieling, ook van onszelf, die die sleur eigenlijk aanricht. Onze wereld, ons milieu, onze taal, wijzelf, gaan kapot.
Van die urgentie, dat vernielingspotentieel, is de hele bundel doortrokken. Een van de manieren waarop die tot uiting komt is het spelen met de bladspiegel en met wat poëzie eigenlijk is. […]
Naast de stereotiepe beelden van een mooi landschap of het cliché van een wrede natuur zet Xavier er nog één neer: de schoonheid en de wreedheid verzoend, zonder dat er sprake is van harmonie. […]
Maar de meerstemmigheid is uiteindelijk niet enkel iets waarmee de bundel eindigt. Als je iets beschouwt als levend systeem, is een sluitstuk niet zomaar een addendum, een toevoeging op het vorige. Een organisch geheel verandert, in zijn geheel, door een toevoeging. Terugkijkend op de bundel, waarin levende systemen—lopend van ons ecosysteem op grote schaal, tot twee mensen onder elkaar—en hun wederzijdse afhankelijkheid zo’n grote rol spelen, zie ik de meerstemmigheid in elk deel terug: de overweldiging van indrukken, de besproken afruil tussen schoonheid en ontkenning, winst en natuurvernietiging, toenadering en beklemming.

Anna De Bruyckere, ‘*’, tekst uitgesproken op de bundelpresentatie op 31 maart 2012

*

Vorm is belangrijk, maar hier leidt de aangepaste typografie en de overdadige presentatie veelal af van de tekst. […] Roelens schrijft [soms] verzen die aan ons trekken, maar na vijftien pagina’s prozagedicht blijf je vooral vermoeid achter. Je wordt willoos overspoeld in kolkingen en snakt naar eenvoud.

Lies Van Gasse, ‘zonder titel’, in Focus Knack, 21 maart 2012

*

Veel apocalyptischer dan dit gedicht van Xavier Roelens lijkt vanuit ecologisch oogpunt tot op heden nauwelijks geschreven. ‘Ja/neen’ is een 16 pagina’s lang prozagedicht, dat bestaat uit een reeks genummerde lange zinnen. Die nummering biedt rustpunten, zodat de lezer op adem kan komen. Meegesleept door de dwingende pracht van de talige organisatie, moet hij zich tenslotte verstaan met een wereld vol dierlijk en plantaardig leven, maar bijna alsof de mensheid al door eigen toedoen het loodje heeft gelegd, de natuur allerwegen heeft vergiftigd en verwoest. […]
De menselijke betrekkingen staan ietwat meer centraal in de overige gedichten, maar ook die ontkomen niet aan de inbedding in de verwoesting, ook weerspiegeld in de poëtische vorm. Al worden er telkens nieuwe mogelijkheden beproefd om het geheel op papier te krijgen, de ingehouden woede onderbreekt de verhalen, breekt ze af, blaast ze af. […]
Het schrijven vanuit een dergelijk besef is hedendaags, noodzakelijk en urgent, ver voorbij de elektronische luchtkastelen, kinderen van de verwoesting.

Lucas Hüsgen, ‘Industrial scars – ecologisch denken in bewustzijn’, lezing in Perdu, 14 oktober 2011

*

De sombere toon, de opzettelijk ontwrichte taal, stemmen overeen met het gebrek aan communicatie. […] Weinig interpunctie en geen of weinig hoofdletters zorgen voor een dwingendheid, een onontkoombaar gevoel van onophoudelijke teloorgang van alles. De schier onophoudelijke opsomming van alles wat bedreigd, gedood en verwoest wordt, doet je naar adem happen en werkt verstikkend – wat wellicht de bedoeling was.
In “stormen, olielekken, motetten” is Xavier Roelens erin geslaagd engagement in een doordachte literaire vorm te gieten en een ecopoëzie te creëren die de alomvattende gevolgen van menselijke onachtzaamheid verwoordt. Dat de natuur hier geen stem heeft is geen onachtzaamheid maar maakt de toestand van de natuur tastbaar.

Juryverslag Prijs van de Letterkunde van de Provincie West-Vlaanderen, 11 juli 2011