De woorden en de wegen

Begin dit jaar stelde ik samen met Laurens Ham voor Kunsttijdschrift Vlaanderen een themanummer samen rond hedendaagse Nederlandstalige poëzie: De woorden en de wegen. Vorige week vrijdag opende Perdu zijn jaarprogramma met drie gesprekken naar aanleiding van het themanummer. Zelf blikte ik terug op het themanummer en kwam zo met een nieuwe inleiding.

Hieronder vind je de tekst die ik vrijdag uitsprak. Ik geloof echt dat het nummer voor iedereen met een hart voor poëzie van belang kan zijn.

 

*

 

Goedenavond

Wisten jullie dat we in België nog altijd opkijken naar Nederland? Niet meer als het om de politiek gaat. Daar zijn we alleen maar bang dat jullie ons wereldrecord regering vormen breken en verder richten we onze steven even snel van het Amerika van Obama naar het Duitsland van Merkel naar het Frankrijk van Macron. Neen, als we de laatste jaren nog naar Nederland keken, was het in de sport. Na elke Olympische Spelen of Wereldkampioenschappen atletiek of zwemmen keken we waar België stond in de medaillestand – hier ergens in de buik van het peloton – en keken we vervolgens naar Nederland – daar ergens, hier bovenaan is de Verenigde Staten, Rusland zat daar net onder, zit nu daar, en Nederland zit mooi hier in de subtop – en stellen we ons de vraag: wat doen jullie om dit mogelijk te maken? Die oefening is al een tiental jaar bezig, laten we pakweg zeggen sinds de Olympische Spelen van Athene, en de belangrijkste conclusie die de vijf regeringen in ons land getrokken hebben, is: we moeten investeren in de mogelijkheidsvoorwaarden voor topsport: in de infrastructuur, in trainers, in netwerken, in kennis. De medaillewinnaars zijn in dit verhaal slechts de top van de piramide, de paradepaardjes die helpen om de investeringen te verantwoorden en nieuwe sponsors aan te trekken.

Wat werkt voor de sport, werkt ook voor de kunst. Ik huiver zelf als ik deze zin hoor, maar als ik nu terugkijk op het themanummer rond hedendaagse Nederlandstalige poëzie dat ik samen met Laurens Ham voor Kunsttijdschrift Vlaanderen heb samengesteld, merk ik dat de vergelijking toch te rechtvaardigen valt. Net zoals de vijf Belgische regeringen zijn blik afgewend hebben van de individuele topsporter naar de entourage die het behalen van de topresultaten mogelijk maakt, hebben wij als samenstellers ook niet op de eerste plaats gekeken naar de individuele topdichters, maar naar de ontstaansmogelijkheden van poëzie. Wij waren nog niet zo ver en ook niet in de situatie en de mogelijkheid om aanbevelingen te doen van wat er in het netwerk beter of anders kan. Ook hebben we de mantra’s van de onverkoopbaarheid en de nutteloosheid van de poëzie, dan wel de hipheid en de hoge kwaliteit ervan vermeden. Wel hebben we, denk ik, tamelijk goed de wegenkaart uitgetekend die dichters vandaag bewandelen om te te groeien in poëzie. Die is iets minder chaotisch dan deze van Peter Holvoet-Hansen, maar wel even interessant.

Als overkoepelende term spreken Laurens en ik van ‘tijdelijke gemeenschappen’. Waar mensen omwille van een gedeelde passie samenkomen – in dit geval de passie voor taal en poëzie – ontstaat de mogelijkheid tot iets. En dat iets heeft allerlei ladingen. Sommigen gebruiken vuurmetaforen en spreken van vonken of gensters. Anderen zoeken het in de plantenwereld en noemen het een vruchtbare kruisbestuiving. Zelf hou ik wel van de term The third mind en van het meer uit het mystieke afkomstige beeld van het jezelf overstijgen. De gesprekken met anderen is een plek waar teksten ontstaan die je nooit op je eentje zou geschreven hebben. In het meest extreme geval ontstaan teksten die samen geschreven zijn, maar ook in het geval van bijvoorbeeld het geven van feedback op een eerste versie van een gedicht sluipt de ander in de eigen tekst binnen – en dat voelt heel vaak als een verbetering aan.

Nu kunnen die plekken van vonken, bevruchting en overstijging in onze ogen op twee lijnen geordend worden. Eerst is er de lijn van formeel naar informeel. Aan de formele kant bevinden zich de literaire wedstrijden, met bijvoorbeeld een duidelijk reglement. Literaire vriendschappen hebben dan weer alles van een informele discussieplek. Vaker echter zie je iets van beiden aanwezig. Een poetry slam bijvoorbeeld heeft regels, maar heeft door zijn uitgelaten sfeer toch ook iets van een ontmoetingsplek tussen publiek en dichter en tussen dichters onderling. Of een schrijfopleiding. Die eindigt vaak niet met het luiden van de bel, gesprekken kunnen verdergaan aan de toog.

Bij een schrijfopleiding zie je ook duidelijk de tweede lijn tussen tegengestelden spelen: aan de ene kant de selectie, het gebruik van drempels, aan de andere kant de inkapseling, het zich afsluiten van de buitenwereld. Bij elke schrijfcursus is het vertrouwen in de groep erg belangrijk. Men vertrouwt elkaar teksten doe die zeker nog niet af zijn, waar men vaak (nog) niet mee naar buiten wil komen. De medecursisten zijn het testpubliek, een soort georchestreerde vriendschap ontstaat hier. Dat is de inkapseling. aan de andere kant bevindt zich bijvoorbeeld het literaire tijdschrift. Wie daar een tekst naar opstuurt, kiest een tekst die in de eigen ogen af is, om over de figuurlijke drempel te geraken. Pas na enkele keren die drempel te hebben overschreden, kan het gebeuren dat tijdschriften je ook actief vragen om een bijdrage. Je kan toetreden tot een redactie en dan ook het inkapselende element voelen. Of je komt in een bloemlezing terecht.

De groei van het internet heeft heel veel verhoudingen op zijn kop gezet. Een literair tijdschrift werkt zoals The Beatles. Eerst zien we de groep, de nieuwe stroming, en pas na de split ontdekken we ten volle de individuen, wanneer ze een eigen carrière ontwikkelen. Ten tijde van blogs, Facebook, Twitter en andere sharingplatforms maak je als individu een account aan en schrijf je vanuit jezelf. Die individuele stem staat voorop op ieders prikbord. Daarna ontstaat er een netwerk van volgers, mensen die reageren, liefhebbers van elkaars werk. Er groeien vriendschappen, maar die blijven vaak op de achtergrond, te ontdekken in de reactievelden, of verstopt in de beslotenheid van de persoonlijke berichten.

Maar samen met de hyperindividualisering versterkt internet ook de informalisering en de DIY-cultuur. Je hebt, om maar één iets te noemen, geen groot basiskapitaal meer nodig om een uitgeverij op te richten. Met Printing on Demand kun je heel gemakkelijk inspelen op je lezerspubliek, of je kunt zelfs gewoon gratis je dichtbundel in pdf-formaat met om het even wie delen. Online websites zoals Meander en Het gezeefde gedicht hebben een drempel – ze selecteren wie ze publiceren – maar zijn tegelijk toegankelijk voor alle lezers. Ook dragen chapbookuitgeverijen als halverwege chapbooks en Stanza uitgeverij een duidelijke stempel in hun selectieprocedure.

Omgekeerd zien we uitgeverijen hun commerciële activiteiten verbreden, op zoek naar manieren om omzet te maken buiten het boek om, maar wel met de inhoud van het oorspronkelijke boek. Of we zien nieuwe actoren die zich ook op de uitgeversmarkt storten. Das Mag is een bekend en qua visibiliteit geslaagd voorbeeld, maar ook Wintertuin in Nijmegen doet naast het organiseren van een literatuurfestival, een schrijfopleiding aan de ArteZ hogeschool, van internationale contacten tussen jonge auteurs ook schuchtere stappen in het uitgeven van chapbooks en kleine bloemlezingen. Een laatste vaststelling is dan ook dat een dichter zich zonder gêne als een ondernemer begint te gedragen, al of niet met steun van huizen als DeBuren, Wintertuin, Perdu en PassaPorta.

Al deze wegen hebben we in kaart gebracht in ons themanummer van Kunsttijdschrift Vlaanderen. Maar naast de artikels van Sylvie Marie over het online poëziemagazine Meander, Kila van der Starre over poetry slam in Nederland en België, Erik Lindner over schrijfopleidingen, Jeroen Dera over chapbookuitgeverijen en Laurens Ham over het dichterschap als ondernemerschap, naast de interviews door Michiel Leen met Mieke van Zonneveld, met Charlotte Van Den Broeck en met de literaire vrienden Matthijs Tratsaert en Arno Van Vlierberghe gaven we ook ruimte aan de woorden. We stelden een mini-bloemlezing van dertien dichters samen die elk op hun manier een mogelijke weg representeren: klassieke en aparte. Een interessante vaststelling daarbij was dat het ons geen enkele moeite kostte om de nodige diversiteit in onze selectie te steken, in die mate zelfs dat we op een bepaald moment zeiden: laten we nog eens een blanke man selecteren.

Tot slot daagden we ook vier stemmen uit – Bart Van Der Straeten, Dieuwertje Mertens, de Ten Napel broers Roelof en Harm Hendrik en Runa Svetlikova – om op zoek te gaan naar de woorden die de dichters vandaag gebruiken en om daar algemene tendenzen in te ontdekken. Twee daarvan gaan zo dadelijk in gesprek met een dichter uit onze bloemlezing. Ter voeding van de discussie geef ik je graag mee wat Bart Van Der Straeten en Dieuwertje Mertens schreven over vandaag. Hoewel ze een andere indeling van het poëzieveld maakten, is hun visie toch gelijklopend. Bart maakt een tweedeling tussen een eerder politiek gerichte avant-garde enerzijds, gesitueerd bij Samplekanon en de dichters Maarten van der Graaff en Frank Keizer, en een aan het podium verbonden groep dichters met een ‘kleinkunstachtige parlandostijl’, zoals NK Slamwinnaars Ellen Deckwitz, Daan Doesborgh en Kira Wuck. Dieuwertje zet één algemene verandering centraal, de invloed van het podium op poëzie, waarbinnen ze dan tendensen ziet. Zij wijst erop hoe het podium zijn invloed heeft op de bundel die meer en meer een bijproduct wordt, maar ook op het karakter van de gedichten zelf. De voordracht noemt zij een handelsmerk van de dichter. Bij haar is van der Graaff een meer politieke tak binnen de grotere variatie op het podium, naast een beschrijvende Charlotte Van Den Broeck en een surrealistische Andy Fierens.

Vervolgens wijzen ze allebei op een tendens tot meer proza-achtige poëzie, met zijn voor- en nadelen. Bart vat beiden goed samen: ‘Opvallend is dat veel jonge poëzie vormelijk erg op proza lijkt. Zowel bij de Samplekanon-avant-garde, die zich via Jeroen Mettes inspireert op de Amerikaanse new sentence-beweging, als bij de podiumparlando-dichters bestaat de tendens om breed te dichten. Dichters van vandaag schrijven meer dan vroeger in zinnen. Bij Marieke Rijneveld, die noch in de Samplekanon-, noch in de podiumparlandogroep thuishoort, maken die zinnen zovele omwegen dat het ontcijferen van die constructie weer uitdagend wordt. Veel andere dichters maken mijns inziens te weinig gebruik van de materiële mogelijkheden van taal, van klanken, de woordbeelden, inherente beeldspraak. Zelf wil ik geen gedichten die maar door emmeren zoals de tv dat doet. Ik wil strakke, geconcentreerde verzen waarin de spanning van woorden, klanken en betekenissen tot het onhoudbare wordt opgerekt. Ik wil poëzie die kunst is – en kunst durft te zijn.

Dat roept dan weer de vraag op wat kunst is, natuurlijk. En hoe de wegen van de poëzie de kunst van de poëzie beïnvloeden, zoals onder andere Dieuwertje in haar stuk aanstipt. En hoe kun je het sociale aspect aan poëzie zichtbaarder en maatschappelijk relevanter maken, vraag ik mij vaak af.

Het nummer is in onze ogen slechts een startpunt. We zijn blij, Laurens en ik, en zelfs een beetje trots dat Perdu ons themanummer gekozen heeft om hun werking mee te starten. We hopen dat het ook voor officiële instanties een inspiratiepunt kan zijn voor het poëziebeleid in het bijzonder, maar ook het literatuurbeleid in het algemeen. We zijn benieuwd naar de drie gesprekken vanavond en wat voor onverwachte input die zal opleveren. En het leukste van al: we hebben twee dozen van het themanummer gekregen van Kunsttijdschrift Vlaanderen die we vanavond mogen uitdelen. Zo kunnen de woorden weer hun eigen wegen afleggen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *