De autobibliografie van Xavier Roelens

header image

 

Archive for August, 2006

actualiteitsgedicht

Topic: restafval|

Onderstaand gedicht is een bewerking van het gedicht “wachten op de barbaren” van de dichter Kavafis. Ook een aanrader is de gelijknamige roman van Coetzee.

Inspiratiebron

Wachten op de zelfmoordterroristen

- Waar wachten de toeristen op, samengedrongen in de vertrekhal?

De zelfmoordterroristen komen vandaag.

- Waarom keren vakantiegangers terug naar huis?
Waarom liggen zoveel toeristen op de grond?

Omdat vandaag de zelfmoordterroristen komen.
Wat onderscheidt hen van toeristen?
Als de zelfmoordterroristen hier zijn, zitten ze graag onopvallend op een stoel.

- Waarom was de britse minister van binnenlandse zaken op de radio
en de president van de verenigde staten op tv
en stond een vliegtuig op de achtergrond?

Omdat vandaag de zelfmoordterroristen komen
en de minister wil hen levend.
Hij heeft er huizoekingen voor over
en troepen komen vervroegd uit vakantie terug.

- Waarom dalen de olieprijzen?
Waarom zijn alle hotels in de buurt
van Londen Heathrow volgeboekt?
Waarom zegt president Bush:
‘this nation is at war with islamic fascists’
en: ‘there are people who still plot’?

Omdat vandaag de zelfmoordterroristen komen
en dat is goed voor de economie.

- Waarom drinken toeristen voor de ogen van de bewakingsagent
van de melk van hun pasgeboren baby?

Omdat vandaag de zelfmoordterroristen komen
en ze zijn vloeibaar.

- Waarom kloppen de toeristen hun rugzak op?
(hun gezichten zijn ernstig, maar gelaten)
Waarom leggen ze hun hoofd op hun rugzak
en sluiten ze de ogen?

Omdat de nacht is gekomen en de zelfmoordterroristen niet
en CNN krijgt binnenkort de primeur om te melden
dat alle zelfmoordterroristen gevangen werden.

Wat zal er nu met ons gebeuren zonder zelfmoordterroristen?
Die mensen boden een antwoord.

(x)

 

No Comments »

een persoonlijke recensie van anderhalf hoofdstuk

Topic: zijgedachte|

Ik was donderdagmorgen weer eens te vroeg wakker – te vroeg, vergeleken met het uur van slapengaan en vergeleken met de rondom mij driftig voortslapende D.D. en L.H. Ik pikte het boek Ongerijmd succes van Thomas Vaessens uit de tas van L.H. en begon willekeurig wat te lezen.

In de willekeur verraadt zich de eigen voorkeuren. In mijn geval waren dat de hoofdstukken “poëzie en performance” (dat verder in de boventitels “dichters op het podium” genoemd wordt – een fout waar ik nog op terugkom) en “dichters op het internet”. Ik was halfweg in het best interessante overzicht van het internet, waarin Vaessens internet als medium voor de poëzie relatief goed tot zijn recht liet komen, toen D.D. de kamer binnenkwam en zijn computer opstartte. Tot dan had ik me geërgerd aan het andere hoofdstuk.
Om de een of andere onduidelijke reden benadert Vaessens het podium niet als een medium voor poëzie. Op allerlei manieren blijkt dat Vaessens gewoon te weinig weet heeft van de orale traditie en van wat er allemaal op een podium kan gebeuren. Hij schrijft op een bepaald moment: “Het zijn amokmakers die het goed doen in de geschiedenis, die op die manier een aaneenschakeling van luidruchtige conflicten wordt, een lange reeks van vadermoorden.” Wanneer Vaessens die zin schrijft, denk je even dat hij verder zal kijken dan die zogenaamde amokmakers – dichters als Ruben van Gogh en Serge van Duijnhoven die pamflettaire teksten geschreven hebben waarin ook de voordracht verdedigd wordt – maar neen. Je hebt voortdurend het gevoel dat Vaessens het allemaal maar van horen zeggen heeft. Vaessens omschrijft die amokmakers bijvoorbeeld als: “dichters die zich in de aloude traditie van de avant-garde scharen.” Ik weet niet wat Van Gogh of Van Duijnhoven met dada, surrealisme, Kurt Schwitters, I.K. Bonset, Paul van Ostaijen, het futurisme, enz. te maken heeft. Vaessens lijkt iedereen die roept dat hij de waarheid in pacht heeft, meteen ook als avant-garde te bestempelen. Volgens mij verdedigt iedereen zijn persoonlijke waarheid, of die nu vernieuwend of conservatief is. En alleen zij die subversief vanuit de hedendaagse mogelijkheden en media dichten en denken, vallen in mijn ogen onder de avant-garde. Vaessens mag wat strenger op die term zijn.

D.D. was koffie en thee aan het zetten toen ik hem erover aansprak. Ik zei hem dat ik niet kon snappen hoe Vaessens Jaap Blonk afdeed als “voornamelijk stemkunstenaar”, bovendien niet in het hoofdstuk van de “poëzie op een podium”, maar ergens op een totaal andere plaats. In al mijn apodicticiteit zei ik dat wie niet inziet dat Jaap Blonk een dichter is, niet weet waar het om gaat om op een podium te staan. L.H. sliep lustig verder. D.D. zei enkel Blonks versie van de Ursonate te kennen. Ik zei dat het in de muziek toch veel normaler was om eens een cover te maken, terwijl in de mainstream-literatuur nog altijd dat aura van originaliteit en authenticiteit heerste. Terwijl – bedenk ik nu – Blonks versie van de Ursonate evengoed origineel en authentiek en poëzie genoemd mag worden.

De discussie verplaatste zich naar het feit dat Vaessens de hele tijd de termen podiumdichter en performer door elkaar gooide, tot zelfs in de titel van het hoofdstuk toe. Voor mij was er toch een belangrijk verschil tussen beide termen. D.D. vond dat ook, maar zijn definitie van beide termen stond diametraal tegenover de mijne. Hij noemde een performer iemand die een geschreven gedicht op een sterke manier in een gesproken gedicht kon omzetten. Een podiumdichter was voor hem dan iemand die met het oog op de voordracht zijn gedicht schrijft en die alleen het podium voor ogen heeft. Zelf haalde ik mijn definitie van podiumdichter aan die ik in een artikel voor Kunsttijdschrift Vlaanderen ontwikkeld heb: “een podiumdichter is een dichter die via het lichaam – en dan vooral de stem – als medium erin slaagt bij de luisteraar een ervaring van betekenisvolheid op te wekken.” Een performer had voor mij dan met de eenmaligheid van de gebeurtenis te maken, zoals die term in de jaren zestig ontstond in de beeldende kunst en zoals Dirk van Bastelaere het ooit in een nummer van Yang uit 1993 uitdrukte in een interview met Tom Lanoye. Een poëzie-performer kruipt in het nu-moment en bereikt bij elke voordracht een ervaring van nieuwheid. De voordracht ligt nooit vast. Naast Jaap Blonk denk ik aan Peter M. van der Linden (die telkens dezelfde gedichten op telkens een andere manier brengt) en ACG Vianen.

Op Dichters in de Prinsentuin heb ik verschillende dichters gezien en gehoord van wie hun voordracht voor mij betekenisvol waren. Ik hield van de heel eigenzinnige zoektocht van Rozalie Hirs bijvoorbeeld. Willem Thies was bij momenten podiumdichter. Wouter Godijn: poging tot podiumdichter, het zal niet zijn beste optreden ooit geweest zijn, maar er zat potentie in. Tjitse Hofman was dan weer, zeker op de Wordscape van woensdagavond, een performer. Hij werd één met zijn tekst. Louis T. Lehmann: klassieke podiumdichter (genre Hugo Claus, met een duidelijke cadans). Hagar Peeters, Daniël Dee, Sieger M.G. en Pom Wolff: voorbeelden van hedendaagse podiumdichters, met vooral een herkenbare, incantatorische podiumstijl. Neigt naar een monotone, vloeiende voordracht. Bij Hagar Peeters: té monotoon. Menno Wigman: toch wel podiumdichter en prachtige afsluiter van het festival. Alfred Schaffer: vertrapper van kleine vogeltjes. Andy Fierens: een van de sterkste podiumdichters. Misschien is hij ook een performer, maar dan zou ik hem vaker moeten zien om te weten in welke mate het gerepeteerd is en in welke mate hij in het moment kruipt. Verder werd ik ook nog van Peggy Verzett en Ben Zwaal heppie. Ze hebben voordrachtplezier en brengen dat over.

Thomas Vaessens heb ik er niet gezien. Maar dat kan aan mij liggen.

x

 

No Comments »